GELUKKIG IS HET LAND,

                          WAAR HET VOLK ZIJN MOER VERBRANDT.

 

 Geschiedkundigen  veronderstellen, dat  reeds 5000  jaar v. Chr. mensen de boorden  van de Peel bevolkten en er turf  staken, om in hun brandstof-  behoefte te  voorzien. Het  oudste geschrift, dat over  het  recht van turfsteken werd  gevonden, is een oorkonde uit  1246. Hierin  verklaart Maria,  dochter van de Hertog  van  Brabant dat de plaats Sterksel,  met een stuk moergrond, een  vrij goed is  van de abdij van  Averbode.


Dominee Picart verkondigde in 1660 dat de venen zijn ontstaan door een zondvloed die 340 voor Christus had plaats-gevonden. De bossen werden bedolven onder de venen, welke door de straffende hand Gods was verordoneerd als plaag voor de mens-heid. Hij vergeleek dit met de ondergang van Sodoma en Gomorra.


 Bij donker of mistig weer  is de Peel gevaarlijk om  de menige karrensporen  die van de dorpen naar  de moeren lopen, waar-  door misleid men in de  moeren zinkt en akelige  nachten  doorbrengt.


 

 


Door dat de venen steeds verder verwijderd werden van de dorpen kon de handel in turf zich niet verder dan tot naburige plaatsen uitstrekken. 








Voor minder vermogende landlieden is het een ellendig bedrijf, te gering voor een landbouwelijk bestaan, moeten behelpen, is het venten met turf hunne toevlugt geworden; het ging hun vermogen te boven hun erf of ontginning te vergrooten.


 Turfsteken in de Peel

“In de Peel kijkt men niet op een turfje”, is een gezegde zo oud als turf. Er was een overvloed aan brandstof in de Peel. Men had de turf voor de moeite en veelal zonder belasting verkregen”, aldus P.E. de la Court. Hij schreef, dat men zich nergens beter verwarmde dan in de Peeldorpen. Doordat het turfsteken veelal zonder toezicht in het wilde weg gebeurde, ging veel veen verloren en werden veel terreinen geruïneerd.

Op verschillende plaatsen in de Peel vindt men zogenaamde “boerenkuilen”: de overblijfselen van een primitieve vorm van turfwinning. De naam duidt al aan, dat de winning plaatsvond voor eigen stookgerief. Omdat afwateringsmogelijk-heden veelal ontbraken, was men genoodzaakt de turf te graven in zogenaamde “eendagsputten”. De putten varieerden van enkele tot tientallen m2, van elkaar gescheiden door veendammen, ook wel “kragen” of “hagen” genoemd. 

De landdrost van Brabant, Paulus E. de la Court (1841), schreef in het boekje: De Peel en de bedenkingen over denzelven:  "Ieder daartoe geregtigde voorziet zich van brandstof. De beste turf is weinig minder dan de Hollandsche. Voor de moeite en voorheen zonder belasting verkregen, geschiedt dit in de ruimte, zodat men zich nergens beter verwarmt dan in de Peeldorpen".  De la Court beschreef het landschap van die tijd: “De Peel is een akelige en eentonige woestenij, noch struik, noch boom, verlustigd het oog”. 


Het enige rustpunt is een verzameling van turfmijten welke op enige afstand een kampement gelijkt. De dorpen door moerputten gescheiden zijn zover verwijderd dat zij onderling niet zichtbaar zijn en weinig of geen omvang hebben.


Het nut voor den ingezetenen, om zich voor den arbeid van brandstof te voorzien, is niet te ontkennen, maar of deze inzameling van turf, welke sedert zo vele eeuwen plaats heeft gehad, zoo veel heil heeft verwekt, wordt bij bezadigde en wat verder doorziene bewoners in twijfel getrokken. 


Voor sommigen, voor welke de moeren niet zijn verwijderd, die van goed gespan zijn voorzien, en bovendien het vermogen hebben van dien turf groote hoeveelheden op te doen, kan het voordelig zijn en misschien opwegen tegen de verachting van den akkerbouw.


De  put had, afhankelijk van de verveningsmethode ,een ronde, rechthoekige of onregelmatige vorm. Het is moeilijk te zeggen hoe oud de thans nog aanwezige boerenkuilen in de Peelreservaten zijn. Hoogstwaarschijnlijk dateren de meeste van voor 1853, toen de Maatschappij Helenaveen begon met grootschalige industriële vervening. Daar het steken van turf doorgaans zonder toezicht heeft plaatsgehad, is daarin veel verkwist en er is veel meer ongenaakbaar gemaakt.