Een aantal gemeentebesturen, waaronder dat van Deurne zag het belang er niet van in om veengronden te verkopen. “Fabrieken... Hemelse vader, wat een slechtigheid zou dat geven...een hoop vreemd volk zekert dat ‘t er op aan zou leggen alle mensen te bederven...


"Jezus van marante ja, ‘t menneke had het wel geweten, d’r zouen slechte tijden komen, ‘t kon niet lang meer duren met de wereld, de antichrist was zeker al geboren... Fabrieken in de Peel, vreemde arbeiders en al dat gedoe... foei - foei, wat ging er op staan...”


“Volk in de Peel”, veel vreemd volk. De kanalengravers groeven in één jaar de Helenavaart, elf kilometer lang. Ze kwamen van heinde en verre. Uit het land van Hannover kwamen de “Poepen”, uit Drenthe de “Oliekonten”. 


In 1853 vielen de Peelmeren, het Vorkmeer, Broenmeer en het Soemeer droog. De in het Soemeer verzonken Sevenumse kerkklokken verstomden. In 1853 werd de Helenavaart gegraven, dwars door het Soemeer, dat toen droog viel. Enkele jaren later werd de kerk van Helenaveen gebouwd. Aan beide zijden van de Peel zijn “de profetieën van Johannes van Leliëndaal” (14e eeuw) bekend. Hij schreef een boek met voorspellingen waarvan er velen werkelijkheid werden. Johannes van Leliëndaal was priester en prior in de orde van St. Augustinus in Utrecht. Soms hoort men -als de kerstnacht heel stil is- het klokgelui in de verafgelegen dorpen rondom het Soemeer. Maar eens zijn er hier grote gebeurtenissen te verwachten. De klok zal opgedolven worden uit het Soemeer in de droog geworden Peel. Dan zal de eerste kerktoren verrijzen. Dit werd de kerktoren van Helenaveen. En meteen zal de laatste heks verdwijnen uit Peelland!

Jan en Nicolaas van de Griendt kochten in 1853, 610 ha. hoogveen van de gemeente Deurne voor een prijs van ƒ 80,- per ha. Bij akte werd de maatschappij verplicht een kanaal te graven zo dicht mogelijk tegen de Limburgse grens. Op deze wijze werd voorkomen dat Limburgse boeren nog langer clandestien op Deurnes grondgebied turf konden steken.


De Maatschappij Helenaveen haalde in 1853 vakbekwame kanalengravers naar de Peel. Ze werden geronseld in de Drenthse veenkoloniën en uit de omgeving van Papenburg in Duitsland. Met een primitieve vijzelmolen moest het kanaalpand drooggehouden worden.


Hoeveel handen? Hoeveel plaggenhutten, voor hoeveel hoofden?  Het moeten er honderden zijn geweest! Huizen waren er niet. Maar heideplaggen in overvloed. Zo’n hut bouwde men in enkele dagen. Bestand tegen weer, wind, koude en hitte. De plaggenhut had in de Peel haar intrede gedaan. 


Het werk is geklaard. De baas heeft zijn rondjes jenever gemaakt. De kanalengravers worden steeds vrolijker. Op blote voeten gegraven, zo op de foto met de steek- en haakschoppen. Het talud van het kanaal is hun arena. Nu de kistdam nog slopen. Het water kan komen en morgen de turfaken.