THEMA 3: VLIKKEN TURF; DWAALGASTEN IN EEN PEELPARADIJS


Naast de boekweitbrandcultuur was het steken van “vlikken” en “rissen” de meest oppervlakkige” vorm van bodemgebruik. “Vlikken”, langgerekte smalle plaggen, werden gestoken op plekken, waar de heide op het veen groeide. Met een “hazenoor”, een steekschop met opstaande randen, werden repen hei met een lengte van 60 cm of meer en een breedte van nog geen 10 cm, losgestoken. Ze droogden snel en werden als aanmaakturf gebruikt. Op het kerkplein van het oude Peeldorp Milheeze werd  “De Vlikkensteker "vereeuwigd“. Zijn loop en de ogen zijn gericht naar de Peel. In zijn linkerhand omklemt hij de vlikken-schop. Als voetgetouw, een paar klompen. De broekspijpen omzwachteld met repen stof, “fletten” geheten om de broek tegen vuil te beschermen. In zijn rugzak, de “knap-zak” en het “drinkesteutje”. Het is een fantastische uitmonstering van de kunstenaar Toon Grassens uit Gemert.


Dwaalgasten in een Peelparadijs op 25 april 1930 in de Vredepeel. Van links naar rechts: dokter Koch uit Den Haag, Hub van Baar, Frans van Baar (vader van Hub en Louis), Grad Verkuilen, en
Louis van Baar.

 

 

 

 

“Ze hebben een paradijs verwoest, alles is opgeofferd om materie en welzijn en dat is de dood in de pot”. Het zijn de woorden van Hub van Baar, een van die gasten die het genoegen had te mogen dwalen in dit ongerepte paradijs. Nevenstaande foto is een van die tastbare herinneringen van Huub op een van zijn vele tochten door de Vredepeel.