Dit fotoverhaal over het oude boerenleven kan gezien worden als een historisch overzicht van hun leven en welzijn. Het is de fundering waarop de nieuwe tijd zijn aanvang nam. In de eerste decennia van de 20e eeuw voltrokken zich grote veranderingen in de landbouw en de samenleving in de dorpen. Armoede tekende het leven op het platteland. De uitvinding van de kunstmest maakte de ontginning van heidevelden mogelijk. De opkomst van zuivelfabriekjes deed de rundvee-stapel vergroten. Mest werd de “God van de akkerman”. In 1900 telde Limburg 155 plaatselijke zuivelfabriekjes. De eerste fabriek kwam tot stand in Tungelroy in 1892 .De Boerenleenbanken hebben een belangrijk aandeel geleverd in het huidige welvaartspeil van de streek. De in 1904 opgerichte Coöperatieve Eiermijn in Roermond zorgde voor een goede afzet van eieren. Rond de jaren dertig deed het landbouwonderwijs haar intrede, veelal verzorgd door plaatselijke onderwijzers. In Limburg werden drie Landbouwwinterscholen gesticht in Roermond, Sittard en Echt. De Limburgse Land- en Tuinbouw Bond, opgericht in 1896, behartigde de belangen van de aangesloten leden.
  Bron: Boek: “Standhouden door veranderingen (1896-1996)”.


Panningen, mijn dierbaar oord
Dit zijn mijn herinneringen uit mijn jeugd over mijn dorp.Ons dorp heeft geen stadsrechten, maar het leven onderscheidt zich echter niet veel meer van het leven van de “stad” bij ons in de buurt. Ons dorp is uit haar historisch jasje gegroeid. De velden raakten ontvolkt. Eenendertig Vosbergse boeren in Panningen hingen hun ploegen aan de wilgen. Ze ruilden knollen voor zwarte kool. Hun zonen daalden af in de diepe schachten van de kolenmijnen in Zuid-Limburg, of gingen werken op de velden, die nu bedrijventerreinen heten. Slechts twee grondgebonden boerenbedrijven op de Vosberg bleven en produceren.



In mijn eerste boek "Reizen door de oude Peel, 100 eeuwen Peelverhalen”
schreef ik als inleiding: “De nacht van 1 november was voor de Kelten, de nacht waarin de doden werden herdacht. De Kelten waren boeren. In september, oktober zaaiden ze hun wintergraan, dat begin november de akkers groen kleurde. De graankorrel in de aarde stierf af om plaats te maken voor nieuw leven. Zo voltrokken zich de generaties. Een van de doelstellingen van mijn publicaties is, dat al deze mensen die hun sporen in dit landschap achterlieten niet naamloos achter de Peelhorizon zullen verdwijnen”.
In mijn werkzaam leven als districtshoofd bij het Staatsbosbeheer in Noord-Limburg kon ik inspiratie en ideeën putten uit vele “Peelbronnen”. Ik voelde het als mijn taak deze verhalen op te schrijven ze door te geven. Journalisten van weekbladen legden met foto’s en teksten het tijdsbeeld van het boerenleven en het landschap van deze streek destijds vast. Ik kon putten uit 2,50 meter lengte van de Katholieke Illustratie ( 1867-1967) en Weekbladen Panorama en Prins. Het werd een selectie van historische boerderijen hun boerenerven, ingedeeld in 22 thema's.  Het leven in hun woningen, velden en beemden in de eerste decennia van de 20e eeuw. Het geheel geeft een beeld van het leven en werken en het landschap van deze generatie waarvan thans vrijwel niets meer is terug te vinden. De inleiding is voornamelijk het levensverhaal van mijn vader. (1889-1976) Hij leidde een nieuw tijdperk in en verliet het "potstallen- en heideplaggensysteem van de heideboer”.


FELIX RUTTEN OVER HET LAND VAN MIJN VADER
Felix Rutten was een Limburger in hart en nieren. Hij is geboren te Sittard op 13 juli 1882. Hij overleed in Rome op 26 december 1971. Hij studeerde en promoveerde in de letteren te Leuven. Hij schreef lyriek met mystieke
accenten en onderhoudende reisverhalen, novellen en toneelwerk waarin hij ijverde voor het herleven van het katholieke toneel. Van hem is o.a. het prozawerk: “Limburgse sagen"  (1916). Felix Rutten schreef in de Katholieke Illustratie in de rubriek: “ONS MOOIE ZUIDEN”. In het artikel van de Katholieke Illustratie van 11 december 1915: “De Peel-Keltische woningen”, beschreef hij op sublieme wijze het leven en werken van Peellanders uit de tijd van mijn grootvader en mijn vader.




In een van die oudste huizen van Sevenum heb ik mijn voeten gezet op het merkwaardigste plaveisel dat ik nog nooit in Limburg zag. Het was een mozaïekvloer van keistenen. Het was ruw, maar geloof het, niet onschoon. De keitjes lagen, heldere en donkere, in figuren naast elkaar, grote ruiten vormend, met het monogram: I H S er midden in, tussen de voorletters van de naam van de eerste bewoners en het jaartal van het werk. (I H S kan betekenen: de drie Griekse hoofdletters van de naam “Jezus”. De, hier, door Felix Rutten beschreven Keltische boerderij stond in de Steeghoek te Sevenum. De boerderij werd rond 1600 gebouwd. Deze boerderij werd gesloopt door Harrie van de Kolk in Sevenum. De stenen zijn door hem verwerkt in herberg “De Turfhoeve” in Sevenum. Foto: Katholieke Illustratie 11 december 1915

                   HET OUDE BOERENLEVEN                                         IN WOORD EN BEELD
Inleiding: Mijn vader introduceerde het nieuwe                      boerenleven
Thema 1: Historische boerderijen en hun erven
Thema 2: Activiteiten op het boerenerf
Thema 3: De huisweide, boomgaard en moestuin
Thema 4: Het leven in de boerderij
Thema 5: De maaltijden
Thema 6: Kippen en eieren
Thema 7: Het varken
Thema 8: Bijenhouderij
Thema 9: Schapenhouderij
Thema 10: Het melken
Thema 11: Het Rijke Roomse leven
Thema 12: Oude ambachten
Thema 13: Klederdrachten, Folklore
Thema 14: Saamhorigheid en het sociale leven
Thema 15: Markten en veekeuringen
Thema 16: Ontwikkeling van hondenkracht tot                        paardenkracht
Thema 17: Graanoogst
Thema 18: Dorsen van granen
Thema 19: Aardappeloogst
Thema 20: Bietenoogst
Thema 21: Onderwijs
Thema 22: De laatste gang: betekenis van stro


OUDE VOSBERGSE BOERDERIJEN
Mijn vader Theodorus Janssen, Vosberg 8, in Panningen., maakte in 1970 een overzicht van de bewoners van boerderijen en enkele woningen die waren ingetekend op de topografische kaart van 1892. Hij vergeleek de locaties met de topografische kaart uit 1734 en 1800. Uit deze inventarisatie bleek dat er in ruim twee en een halve eeuw weinig was veranderd.


 

De boerderijen staan van het westen afgewend en hun vensters zoeken het zuiden en het oosten. Langs hun achterwanden beschutten wilde heggen met berken, dat het vuur afweert. Zij vrezen de koude wind en de regen. Hun rieten daken dalen haast tot de grond af als vroegen zij de bodem steun, als hielden zij hem vast met hun handen. Foto: Katholieke Illustratie, 11 december 1915.


Schilderachtige plekjes in Noord-Brabant. Op het erf van een klompenmakersgezin te Best. Narda, de huisvrouw put water. Links is de druiven-wingerd, rechts de mooie oude schuur en de vervallen put. Het geheel vormt weer een van die typische buitentafereeltjes, welke men in deze streek zo veelvuldig aantreft. Foto en tekst: Weekblad De Prins 1918.